“PERSONEN MET EEN HANDICAP”
Meer dan zomaar een naam! (Ben Wuyts)
Een naam, een aanduiding van medemensen kan veel uitdrukken of verbergen. Een naam kan veel verduidelijken ofwel misvattingen scheppen. Een naam is dus belangrijk. Ouders bijvoorbeeld geven hun kinderen toch ook niet zomaar lukraak een naam. Daar wordt meestal lang en grondig over nagedacht. Op andere terreinen, o.a. bij een nieuwe ontdekking of uitvinding, bij de realisatie van een nieuw product, vindt men de juiste naam, die de duidelijkste informatie en de sterkste uitstraling heeft, altijd zeer belangrijk. Waarom dan niet voor mensen met een handicap? Een naam is immers niet iets wat we alleen maar dragen, het is iets om mee te leven. Bovendien bepaalt een naam soms mee hoe men naar zichzelf kijkt en hoe anderen naar jou kijken en hoe ze dan ook met je omgaan.
Sinds mijn nauwere samenwerking met gehandicapte adolescenten en volwassenen, nu reeds meer dan twintig jaar, erger ik mij aan bepaalde hardnekkige, ongepaste benamingen die heel wat maatschappelijke vooroordelen verraden. Het gaat dan om benamingen als: abnormalen, achterlijken, debielen, minder-validen, andersvaliden.
Wanneer we andere mensen bewust negatief of onzeker benaderen, dan heeft dat uiteraard effect op de naamgeving. Dan komen geringschattende namen al vlug op de proppen. Ofwel gebruiken we dan namen met een negatieve bijklank oftewel eufemismen, verzachtende woorden om mensen overdreven omzichtig te benoemen. In beide gevallen gaan we voorbij aan de eigenheid van de persoon.
Sommige benamingen zijn ongepast.
Mijn besluiten steunen op mijn eigen vergelijkend taalkundig onderzoek en op de officiële Nederlandse vertaling van de ‘Internationale Classificatie van Stoornissen, Beperkingen en Handicaps’ die in 1980 door de Wereldgezondheidsorganisatie werd voorgesteld. Daarnaast heb ik ook wat historisch graafwerk verricht. Vroeger werden er in onze streken heel wat ‘straffe’ benamingen gebruikt zoals o.a.: onvolwaardigen, abnormalen, pedagogisch verachterden, achterlijken, gebrekkigen, gestoorden, ongelukkigen, debielen, dutsen, enzovoort. Het vraagt geen wetenschappelijk betoog om iedereen vandaag attent te maken op de wrange bijklank, de negatieve connotatie die aan dit gamma van benamingen verbonden is. Uit respect voor de menselijke waardigheid worden deze namen best vergeten.
Een benaming zoals ‘invaliden’ werd na de wereldoorlogen als algemeen begrip veel gebruikt, vooral in de samenstelling ‘oorlogsinvaliden’. Deze benaming is correct, maar kan dan enkel gebruikt worden in de betekenis van een functionele beperking. We spreken in dat verband toch ook van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, een verzekering voor een tijdelijke of langdurige arbeidsongeschiktheid tengevolge van een beperking, een invaliditeit van een persoon.
Waarschijnlijk werd ‘invaliden’ daarna door vele validen en door onze overheidsinstanties als te hard en als te volledig veroordelend - helemaal niet valide -aangevoeld. Zo werd dan o.a. de samenstelling “mindervaliden” ontworpen als een eufemisme, als een zalvende omschrijving om de betrokken mensen vooral niet te kwetsen. Goed bedoeld, maar negatief beladen. Aan deze benaming kleeft immers te veel de gevoelswaarde van geringschatting en bevoogding. In de samenstelling ‘mindervalide’ bepaalt het bijwoord ‘minder’ expliciet de graad van de valide zijnswijze, namelijk: niet zo valide als anderen, in geringere mate valide dan anderen, achterstaand, ondergeschikt. Sinds het einde van de jaren zeventig wordt deze benaming in officiële publicaties in Nederland scrupuleus geweerd. In Vlaanderen volgt men sinds enkele jaren stilletjes dezelfde weg. In het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, de Grote Van Dale werd in de uitgave van 1992 bij het trefwoord ‘mindervalide’ de aanduiding ‘verouderd’ genoteerd.
Wat de andere, gelukkig weinig voorkomende begrippen zoals ‘andersvaliden’ en ‘anderszinsvaliden’ betreft: deze nieuwe termen kunnen het best vermeden worden omwille van hun te kunstmatig en verdoezelend, bijna neerbuigend karakter. Bovendien zijn deze taboewoorden niet duidelijk.
“Personen met een handicap”
Op basis van mijn eigen onderzoek, op basis van de adviezen van de ‘Wereldgezondheidsorganisatie’ en na de gesprekken met taalkundigen en vele gehandicapte mensen uit Vlaanderen en Nederland verkies ik op de eerste plaats de benamingen: personen (of mensen) met een handicap, gehandicapte personen (of mensen) en op de tweede plaats: gehandicapten.
Wars van elk modieus taalgebruik of extreem taalpurisme verdienen deze benamingen de voorkeur. Het zijn accurate, respectvolle benamingen in correct Algemeen Nederlands die bovendien verwijzen naar een visie van kansen bieden aan mensen met een handicap.
De etymologische achtergrond van het begrip ‘handicap’ maakt ons dit duidelijk. Het woord ‘handicap’ werd waarschijnlijk voor het eerst in de zeventiende eeuw gebruikt voor een kansspel waarbij twee personen hun geluk beproefden door hun hand in een muts (in het Engels hand in a cap) te steken om er een waardevol voorwerp of lot uit te halen. Later werden er in Engeland paardenrennen georganiseerd, waarbij aan de snelste paarden een extra gewicht of aan zwakkere paarden een voorsprong werd gegeven. Zo kregen deze laatste, ondanks hun beperking in snelheid meer kansen om mee te tellen in de wedstrijd. Bovendien beantwoorden benamingen zoals ‘personen met een handicap’ of ‘gehandicapte personen’ aan de internationale en de Europese richtlijnen ter zake.
De Vlaamse Gemeenschapsregering heeft op dit punt het voorbeeld voor elke Vlaming gegeven. Bij decreet van 10 januari 1990 heeft de Vlaamse Executieve beslist om de ‘Vlaamse Hoge Raad voor Minder-Valide Personen’ om te dopen tot ‘Vlaamse Hoge Raad voor Personen met een Handicap. Daarna werd in juni 1990 de ondertussen welbekende overheidsinstelling opgericht met als benaming Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap’.